Return to site

Van Beek naar Rotterdam

door Sandra Bausch

Johan Adolph

Na het overlijden van Frans Ludolf in 1872 gaat de gezinskaart over op Jean (Johan Adolph), die kort daarna trouwt met Cecilia Smeets. Ook Antje trouwt en Santje was al eerder het huis uit. Rudolf bleef bij zijn broer (die tot zijn 23ste jaar ook zijn voogd was) en schoonzuster wonen totdat hij in 1877 een baan als rijksveldwachter kreeg in St Geertruid. Hij was toen al een jaar getrouwd met een katholiek meisje en had een kind.

Jean is notarisklerk. Hij werkt van 1864 tot 1872 bij notaris van Gorkum in Beek, maar stopt als zijn vader overlijdt. Net als zijn voorvaderen, is hij ook landbouwer en ouderling van de Protestantse kerk. In 1872, na het overlijden van zijn vader en zijn daaropvolgende huwelijk met Cecilia Smeets bouwt hij op een perceel vrijwel naast de spoorwegovergang een huis annex koffiehuis en hotel. De eerste jaren gaan de zaken kennelijk goed.

In 1877 verkoopt Jean samen met broer Rudolf naast allerlei meubilair hun landbouwwerktuigen, karren en vee, waaronder een duur paard (f325), 3 koeien, 4 kalveren en een os, een schaap en heel veel kippen. Het lijkt erop dat hij het landbouwbedrijf voor gezien houdt. Rudolf wordt datzelfde jaar Rijksveldwachter in St Geertrui en Jean treedt in 1879 weer in dienst als notarisklerk. Hij koopt in de jaren 80 stukken bouwland in Elsloo en in 1880 leent hij nog meer dan f 1500 tegen 5% rente uit aan dorpsgenoten (banken waren er in die tijd nog niet). Willem en Frans kunnen naar de HBS in Maastricht, al mogen ze niet de hele reis, maar slechts een gedeelte met de trein maken. Aan het eind van het schooljaar 1889/1890 gaan de jongens echter van de HBS af, mogelijk vanwege financiële problemen. Begin 1893 leent hij f 367 van Jacques Hennekens en geeft daarbij zijn eigen huis annex koffiehuis plus nog een aantal andere percelen als onderpand. Dit onderpand lijkt disproportioneel (het huis met grond alleen al was veel meer waard), maar misschien had dit een reden. Eind februari 1893 wordt het koffiehuis ter veiling aangeboden, maar niet verkocht. Daarom wordt er in de zomer maar weer geadverteerd om pensiongasten voor het hotel aan te trekken. In mei verkoopt Jean meer land. Hij had duidelijk geld nodig. Vanaf de zomer van 1893 werkt hij ook niet meer voor notaris Collard, al is zijn beroep nog steeds notarisklerk.

Het koffiehuis

Johan Adolph (1835-1893) verwerft waarschijnlijk zijn eerste grond via de erfenis van zijn vader. Het is niet duidelijk uit kadastrale en andere gegevens waar hij met zijn gezin woont totdat het koffiehuis klaar is. In 1873 staat er nog geen huis ingetekend op het betreffende perceel (A1014) in de kadastrale hulpkaart. Het koffiehuis staat er in ieder geval wel in september 1876, omdat er in een krantenbericht over een openbare verkoping melding van wordt gemaakt. In 1879 ruilt Jean met zijn broer Rudolf een geërfd perceel dichter bij het dorp met het perceel naast het zijne waarop het koffiehuis staat. Daardoor kan hij zijn huis annex koffiehuis uitbreiden. Dat gebeurt begin jaren 80 nog een keer.

Na zijn dood en faillissement wordt het koffiehuis met erf voor f 6555 verkocht aan Mathijs Driessen (ꝉ1896). Wat er daarna met het pand gebeurde weten we niet, maar rond 1900 werd het gekocht door de familie Crombag-Voncken die er ook een café vestigt en ernaast een fruithandel en -veiling. Het pand heeft nog diverse eigenaren gekend en altijd een horecafunctie gehad. In 2014 werd het gesloten, maar staat nog altijd, zij het in deplorabele staat, aan de Stationsstraat 113.

Volgens de overlevering in de familie was Jean een nogal autoritaire man. Tijdens het eten nam eerst vader Jean aan het hoofd van de tafel plaats en ging eten, terwijl de jongens langs de zijkant van de tafel stonden te wachten tot hij klaar was. Hierna ging moeder Cecilia met de kinderen eten. Hij was ook een fervent jager en nam heel vaak zijn oudste zonen mee op jacht.

Johan Adolph overleed in Antwerpen. Hij zou daar om 7 uur 's ochtends dood in bed gevonden zijn. De politie deed aangifte van zijn overlijden bij de Burgerlijke stand. Na zijn dood moesten op last van de arrondissementsrechtbank in Maastricht al zijn bezittingen openbaar worden verkocht, dus hij moet veel schulden gehad hebben en was waarschijnlijk failliet verklaard. Zijn zoons Frans en Albert hebben nooit aan hun nakomelingen willen vertellen welk (financieel) drama zich heeft afgespeeld en wat er in Antwerpen gebeurd is. In de familie van Willem gaat echter het verhaal dat hij het familiekapitaal vergokt heeft en dronken met een koetsje in het water in is gereden en verdronken.

Cecilia bleef in ieder geval berooid achter met 3 zoons van 17, 12 en 9 jaar die nog van haar afhankelijk waren. De toespraak die dominee van Roskam tijdens de begrafenis op 2 januari 1894 hield onthult ook niet wat er gebeurd is, al is de volgende passage, gericht aan de zoons, veelzeggend: "Die vader heeft veel leed gekend, veel moeilijke uren doorgebracht op aard, heeft veel te strijden gehad en is niet altijd overwinnaar gebleven maar gij hebt hem lief gehad en geëerd. Rest thans zijne nagedachtenis, en gij eert die, kinderen, door elkaar lief te hebben. O belooft elkaar liefde en trouw hier, nu staat gij aan zijn graf, slaat de handen in één en schraagt op die wijze uw moeder op wiens schouders thans zulk een drukke zware taak is gelegd." Dit lijkt erop te duiden dat de zoons onderling verdeeld waren. We zullen dat niet weten, maar wel wordt later duidelijk dat Frans, Albert en Emile gezamenlijk hun moeder uit de brand helpen bij het aflossen van de schuld aan haar broer. Ook is bij hun kleinkinderen bekend dat Frans en Emile Albert hebben bijgestaan in moeilijke periodes, zowel met zijn boekhouding (Frans) als financieel (Emile).

Cecilia Bausch-Smeets

Cecilia's vader, Joan Wilm Smeets, was boer in Born. Vóór haar huwelijk woont Cecilia nog 2,5 jaar als alleenstaande in de Stokstraat in Maastricht. Het briefje dat zij in 1916 stuurt aan de advocaat van van Didden is in een regelmatig, uitstekend leesbaar handschrift zonder spelfouten geschreven. Hieruit blijkt dat zij een behoorlijke opleiding gehad moet hebben.

De zoons moesten moeder Cecilia meehelpen op de boerderij. De oudsten mochten de HBS in Maastricht bezoeken, maar moesten alvorens ze een lange voettocht naar het station in Meerssen (8,5 km) konden aanvaarden eerst de veestapel verzorgen; de varkens en kippen voeren ed. Tussen de middag aten ze bij een oom van Cecilia. Na schooltijd moesten de inkopen voor het hotel verzorgd worden. Per trein gingen ze terug naar Meerssen om vandaar weer terug naar Beek te lopen, waar de veestapel inmiddels al op verzorging wachtte.

Cecilia was voor geen kleintje vervaard. Naast het runnen van het hotel, speelde zij ook voor dierenarts. Haar kippen kregen bij gebrek aan beter voer spinaziezaad te eten. Het probleem was dat dit vaak als een prop in de keel bij de kip bleef hangen. Een scherp aardappelschilmesje bracht dan uitkomst, de kippenkeel werd open gesneden, de prop eruit gehaald en met garen weer dicht genaaid, meestal overleefden de kippen dit.

Rampjaar 1894

Na de dood van haar man worden op 6 maart 1894 alle roerende en onroerende goederen uit de nalatenschap van haar man getaxeerd en beschreven, zoals zijn testament uit 1884 voorschrijft. Op 19 januari daaraan voorafgaand had Cecilia bij de rechtbank in Maastricht afstand gedaan van de gemeenschap van goederen. De levende have bestaat uit 2 geiten, 3 varkens, 12 kippen en een haan, samen 46 gulden waard. De meest kostbare inventarisstukken zijn het buffet met pompen en glazen (f 80) en het billard met queues en ivoren ballen (f 90). De drankvoorraad bedraagt f 41 en de voorraad bed- en tafellinnen f 92. Daarnaast was er natuurlijk een grote hoeveelheid meubilair uit het koffiehuis en hotel en een naaimachine, maar ook 3 geweren, wat sieraden en een gouden horloge. De totale taxatiewaarde van het roerend goed bedraagt f 1650,30. Op 25 oktober worden op last van de rechtbank alle spullen openbaar verkocht, meestal onder de taxatiewaarde. Totale opbrengst f 1502,45.

Ook het onroerend goed wordt openbaar verkocht. De verkoping van zeven percelen grond, waaronder het eigen huis annex koffiehuis en verder bouwland en boomgaarden in Beek en Elsloo bij het spoor, vindt plaats op 26 juni 1894. Er wordt dan echter maar één perceel verkocht, een recent verworven huis met tuin in Ulestraten voor f 640. Dus adverteert Cecilia in de zomer maar weer voor haar hotel in het Nieuws van de dag. Op 21 augustus vindt dan de verkoop van de eerder onverkochte percelen plaats: het koffiehuis met grond brengt f 6555 op. De totale opbrengst is f 7953,60, waarvan weinig overblijft aangezien er f 6929 hypotheek op de verkochte percelen rust.

Cecilia heeft begrijpelijkerwijs niets meer in Beek te zoeken. Willem is in november naar Indië vertrokken en Frans werkt bij de spoorwegen in Venlo. Dus verhuist zij, nadat al het bezit (op haar kleding en eigen linnengoed na) is verkocht, eind december 1894 met haar 3 jongste zoons naar de Gasthuisstraat 16 in Venlo, waar zij één of meerdere kostgangers in huis heeft. In april 1896 is de financiële nood weer zo hoog opgelopen dat zij van haar broer Hubert Smeets 700 gulden leent, die hiervoor een hypotheek op zijn huis moet nemen. Zij betaalt netjes rente over de lening (30 gulden per jaar). Na de dood van haar broer in 1912 en zijn dochter in 1915, eist de schoonzoon van Hubert, Jan van Didden, de lening op en wil die binnen drie dagen betaald zien. Er volgt een uitvoerige correspondentie die voornamelijk door Emile (die de geschiedenis niet kende) en de advocaat van van Didden wordt gevoerd. Uiteindelijk wordt tussen 1916 en 1918 de lening in maandelijkse termijnen van 20, later 30 gulden afgelost, bijeengesprokkeld door Frans, Albert en Emile. Albert en Emile onderhouden daarnaast ook al hun moeder. Ook Willem geeft, na terugkeer in Nederland eind 1916, regelmatig een substantieel geldbedrag aan zijn moeder, getuige een brief aan Emile (1918).

In februari 1899 verhuist Cecilia naar Rotterdam, met zonen Rudolf (dan 22) en Emile (dan 14). Albert (dan 17) voegt zich wat later via Noordwijk bij hen. Ook in Rotterdam heeft Cecilia kostgangers om deels in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Frans woont begin 1901, na zijn terugkeer uit Zuid-Afrika, een paar maanden bij het gezin. Rudolf verhuist in 1906 naar Sittard. Albert en Emile blijven bij haar wonen tot hun huwelijk. Ze woont achtereenvolgens op de Boezemsingel 124, Maaskade 47, van der Takstraat 9, Schietbaanlaan 49b en Claes de Vrieselaan 54a. Op dit laatste adres woont zij tot september 1924 en betaalt zij in 1917 30 gulden huur per maand. Het laatste half jaar van haar leven woont zij in op het net gebouwde P.C. Hooftplein.

Waarom de familie van Venlo naar het verre Rotterdam verhuist is niet helemaal zeker. Rotterdam is na het openen van de Nieuwe Waterweg in 1872 "booming" en biedt veel betere toekomst- en huwelijkskansen voor haar jongens, die een kantoorbaan ambiëren, dan het inmiddels "RijkeRoomsche" Limburg. De bevolking verdubbelt in 20 jaar van 160.000 naar 315.000 (Wikipedia). De veel oudere zuster van Cecilia, Sophia Smeets, getrouwd met Arnold Surber, heeft een zoon Jan Wilm, geboren in Born in 1865. Deze zoon, een onderwijzer, haar neef dus, woont in ieder geval vanaf zijn huwelijk in Rotterdam en biedt in 1897 ook nog een paar maanden onderdak aan zijn neef Albert.

All Posts
×

Almost done…

We just sent you an email. Please click the link in the email to confirm your subscription!

OK